
In de verhalenreeks ‘Onderweg’ (iedere maand een verhaal op radioaalsmeer.nl) ontmoet Martin Spaargaren mensen die hij tegenkomt in en rond Aalsmeer. Toevallige ontmoetingen, ditmaal in het centrum van Amsterdam, groeien uit tot kleine portretten van gewone mensen met bijzondere verhalen. Ontmoetingen zonder afspraak, maar met aandacht, want wie luistert, hoort altijd meer dan verwacht.
Eens per maand wandel ik naar Amsterdam; in de Utrechtsestraat zit een kroegje waar ik graag kom. Op de Ferdinand Bol, ter hoogte van de Albert Cuyp viel me een man op, die, hoe zeg je dat beleefd, érg aanwezig was, hij leek me een stevig gevalletje ADHD. Hij klampte opgeruimd en enthousiast willekeurige mensen aan, kletste uitgebreid met ze en liep weer verder, nadat hij met hen de grootste vrienden was geworden.
Het was behoorlijk warm en ik had een kilometer of vijftien onder m’n zolen zitten, ik had weinig zin in drukte, maar ik zag hem zo’n beetje op me af komen lopen. Maar kijk: hij stapte op lijn 4 waar hij de chauffeur aanklampte.
“Hé, Sjakie, ik ben het, Jelle! Ken je me niet me niet meer of wil je me niet meer kennen? Ha, ha haa!” Jelle was nog een grappenmaker ook, dus. De tram reed weg, Jelle stond te kletsen, ik sjokte langs het Frederiksplein de Utrechtsestraat in. De tram was stampvol, de straten ook, de 4 reed langzaam en stopte langdurig bij alle haltes. Het lukte me om de tram wandelend bij te houden. En wie stapte er uit de tram ter hoogte van ‘mijn’ kroegje?
*Zucht*
Jelle nam afscheid van de tramchauffeur: “Eerst effe peuken halen, Sjaak!”. Vervolgens sloeg hij af naar rechts. Gevaar geweken. In het kroegje ging ik aan het tafeltje in de hoek zitten, net achter de ingang. Een verse versnapering voor de neus, de Amsterdamse krant (nee: het Parool) er onder, en poepjes: daar kwam Jelle binnen! Hij bemoeide zich eerst met allerlei lieden die verspreid over het kroegje zaten te kletsen, te kaarten of een andere krant spelden. Ze kenden hem allemaal, zo bleek. De afstand tot mijn hoekje was gelukkig groot.
De krant was uit, ik bracht hem terug naar de toog, ik werd daar door Jelle gemonsterd. Ik knikte vriendelijk en hij ging met de barmevrouw kletsen. Terug in mijn hoekje diepte ik uit mijn rugzak een verhaal op van Philip Kerr en ik verdween spinnend in mijn boek.
Het ging mis toen Jelle het kroegje verliet en hij mij in mijn hoekje passeerde. “Dag heer, mag ik vragen–wat lees je?”
Ik vertelde over Kerr, al weer een paar jaar overleden, een filosofieprofessor (dacht ik), die achterlijk veel over Berlijn tijdens WO II wist. “De ‘Berlijn Trilogie, bijvoorbeeld'”, zei ik.
Jelle frommelde ergens een papiertje vandaan en schreef het op. “Dubbel-r?”
Hij vertelde me vervolgens van alles over zich zelf. Hij was vooraan in de zeventig, nog zo fit als een hoentje, deed dagelijks allerlei krachtoefeningen en strekkingen in zijn woonkamer. Hij was heel onrustig en knipte onder het praten steeds met zijn vingers. “Als ik dat doe, dan spreek ik de waarheid.” Hij vertelde bijvoorbeeld dat hij een paar jaar had gebokst en aan Wing Chun had gedaan. (Knip-knip.)
Wing-Chun? Nou–en dan heb je me.
“Ja joh? Bij wie?” Het was een leraar die ik niet kende en via het boksen kwam hij terecht in zijn jeugd. Jelle was opgegroeid in tehuizen. Daar had hij al heel vroeg moeten leren stevig van zich af te bijten. Er was altijd wel een bully –”Nu we Trump kennen, weet iedereen wat dat is”– die het op de nieuwe lichting had voorzien. Totdat hij op een keer vreselijk uithaalde. Toen was het over.
Ik dacht ondertussen dat “ADHD” eigenlijk nog maar net in kaart is gebracht en de mensen vroeger geen idee hadden waardoor sommige mensen zo druk en onbestuurbaar waren; het tehuis lag om de hoek, zogezegd. “In de tehuizen heb je geleerd grenzen te trekken, en afstand te houden tot andere mensen.” Wat zei ik nou?! “Nou, ik merk dat je ook onder het praten constant uitstraalt, dat iedereen op ieder moment een rotklap kan krijgen.”
Jelle keek me even vreemd aan en vervolgde dat hij dikke maatjes werd met de bully, die op slag geen bully meer was. Het ging hem meer om permanent wantrouwen, het idee van ‘ze moeten wat van me.’ “Ja weet je, ik heb altijd een vreselijk grote hekel aan onrecht gehad. Ik kan dat niet hebben! Als ik op straat iets zie gebeuren dat niet in de haak is, dan trek ik m’n kanis open. Maar ik praat altijd, echt vechten komt niet meer voor eigenlijk. Want vergis je niet, ik heb nog steeds een loeiharde beuk op mijn repertoire! Maar ik ben te oud voor dat gelazer, ze moeten het zelf maar een keer leren.”
We trokken een vergelijking met een jonge voetballer. In de spits, doelpunten maken, zo’n gassie dat achter iedere bal aan jaagt. Dat hou je op den duur niet vol, dus als je wat ouder bent kom je op het middenveld terecht, misschien in de verdediging. Weer later sta je naast het veld en ben je coach. Afstand nemen, was het idee, niet achter iedere bal aan blijven jagen. Niet de wereld proberen te verbeteren, als je je realiseert dat je geen invloed op die wereld hebt. “Probeer voor iedereen die je kent én niet kent, aardig te zijn. Zorg voor je familie en vrienden. Veel verder gaat je invloed niet.”
Jelle werd een blijer mens van mijn verhaaltje. Hij stond erop mijn versnaperingen te betalen. “Die zijn voor mij…” zei hij, één van mijn meest favoriete zinnen in het Nederlands. Hij hanteerde een mooi fooien-systeem: als hij twee drankjes op had, gaf-ie 2,00 euro fooi, enzovoorts. “Da’s een mooi systeem Jelle,” vond de barmevrouw. “Wil je nog wat drinken? Een wijntje of zes?”
Ik had mijn mening over Jelle enorm moeten bijstellen. Druk als de neten, okay, maar een eerlijk en oprecht mens. Sommige gebeurtenissen uit zijn jeugd zijn heel bepalend geweest voor hoe hij met de wereld omgaat. Maar hij wordt milder en milder.
“Oordeel niet meteen,” zei een wijze vrouw eens tegen mij, “kijk eerst maar eens wat er echt aan de hand is.”
Martin Spaargaren
Gepubliceerd: 25 juli 2026 om 12:00 uur, geschreven door Elbert Huijts
Studio
De Oude Veiling
Marktstraat 19
1431 BD Aalsmeer
Telefoon
0297 - 325858
E-mail
info@radioaalsmeer.nl